Información sobre la palabra opstappen (neerlandés → Esperanto: ekiri)

Sinónimos: op weg gaan, tijgen, weggaan

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ˈɔpstɑpə(n)/
Separaciónop·stap·pen

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) stap op(ik) stapte op
(jij) stapt op(jij) stapte op
(hij) stapt op(hij) stapte op
(wij) stappen op(wij) stapten op
(jullie) stappen op(jullie) stapten op
(gij) stapt op(gij) staptet op
(zij) stappen op(zij) stapten op
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) opstappe(dat ik) opstapte
(dat jij) opstappe(dat jij) opstapte
(dat hij) opstappe(dat hij) opstapte
(dat wij) opstappen(dat wij) opstapten
(dat jullie) opstappen(dat jullie) opstapten
(dat gij) opstappet(dat gij) opstaptet
(dat zij) opstappen(dat zij) opstapten
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
stap opstapt op
Participios
Participio presenteParticipio pasado
opstappend, opstappende(zijn) opgestapt

Traducciones

alemánlosgehen; aufbrechen; loslaufen; losfahren; starten; ins Rollen kommen
españolarrancar; partir; salir
esperantoekiri
feroésfara til gongu
francéspartir
frisón occidentalôfsette; ôfstekke
inglésset off; start; start out
portuguéspôr‐se a caminho; pôr‐se em marcha