English–Dutch dictionary

Dutch translation of the English word trouble spot

English → Dutch
  
EnglishDutch (translated indirectly)Esperanto
spikkel
(soil; stain; mar; besmirch); ;
(blot; stain; blotch; blob; blur; patch); ;
(dot; period; locus; moment; full stop; stop; point);
spikkel
(descry; perceive; espy; glimpse; sight; catch side of; spy)
(identify);
(pimple)
(stead; place; locality; site); ;
(drip; drop)
(pimple; pustule)
(notice; detect; note; remark)
(find; locate; strike)
(problem; issue; difficulty)
🔗 Well, all the world has troubles, from the Great Blight south to the Sea of Storms, from the Aryth Ocean in the west to the Aiel Waste in the east.
(disturb; hinder; annoy; encumber; hassle; irritate; inconvenience; hamper)
trouble
(annoyance; bother; hassle; inconvenience; irritant)
;
(disturb; incommode)
maloportuni
(disturb; ruffle)
malserenigi
(agitate; alarm; disturb; perturb; ruffle; unsettle; upset; worry)
(anxiety; agitation; concern; disquiet; unease; disquietude)
(effort; attempt; endeavour; bid; fag)
(be ashamed);
ĝeni sin
🔗 Please do not trouble.

EnglishDutch
trouble spot haard van onrust
spot acquit; bevlekken; bezoedelen; druppel; een smet werpen op; in het oog krijgen; marmeren; moesje; nachtclub; ontdekken; oog; opmerken; opvallend geplaatst artikel; plaats; plek; plekken; pukkel; reclamespot; signaleren; smet; snappen; spat; spetter; spikkel; spot; stede; stee; stek; verkennen; vlek; vlekken; waarnemen
trouble bekommernis; defect; gedonder; hinderen; hoofdbreken; hoofdbrekens; kommer; kwaal; kwellen; kwelling; last; last veroorzaken; lastig vallen; leed; leed doen; mankement; moeilijkheid; moeite; moeite doen; narigheid; ongemak; ongerief; onraad; onrust; pech; soesa; storen; storing; stribbeling; strubbeling; tobberij; verdriet; verdriet doen; verontrusten; verstoren; vertroebelen; verwarring; zich druk maken; zich het hoofd breken; zorg