Información sobre la palabra treffen (neerlandés → Esperanto: trafi)

Sinónimos: halen, raken

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ˈtrɛfə(n)/
Separacióntref·fen

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) tref(ik) trof
(jij) treft(jij) trof
(hij) treft(hij) trof
(wij) treffen(wij) troffen
(jullie) treffen(jullie) troffen
(gij) treft(gij) troft
(zij) treffen(zij) troffen
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) treffe(dat ik) troffe
(dat jij) treffe(dat jij) troffe
(dat hij) treffe(dat hij) troffe
(dat wij) treffen(dat wij) troffen
(dat jullie) treffen(dat jullie) troffen
(dat gij) treffet(dat gij) troffet
(dat zij) treffen(dat zij) troffen
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
treftreft
Participios
Participio presenteParticipio pasado
treffend, treffende(hebben) getroffen

Muestras de uso

De man met het zwaard wachtte op een kans om toe te slaan zonder het risico te lopen dat hij de soldaten trof.

Traducciones

afrikáanstref
alemántreffen
cataláncaure; encertar; endevinar; ensopegar
checotrefit; zasáhnout
españolacertar; dar con; dar en
esperantotrafi
feroésraka; ráma
francésatteindre; frapper; parvenir; saisir
frisón de Saterlandmäite; roakje; träffe
frisón occidentaltreffe
ingléscatch; encounter; find; hit; strike; befall
italianocolpire
malayomemukul; pukul
papiamentoraka
polacotrafić
portuguésacertar; atingir; dar no alvo
rusoбить; ударить