Información sobre la palabra ophoepelen (neerlandés → Esperanto: foriri)

Sinónimos: afgaan, heengaan, opdonderen, opflikkeren, opkrassen, opsodemieteren, ervandoor gaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen, opstappen

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ˈɔpɦupələ(n)/
Separaciónop·hoe·pe·len

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) hoepel op(ik) hoepelde op
(jij) hoepelt op(jij) hoepelde op
(hij) hoepelt op(hij) hoepelde op
(wij) hoepelen op(wij) hoepelden op
(jullie) hoepelen op(jullie) hoepelden op
(gij) hoepelt op(gij) hoepeldet op
(zij) hoepelen op(zij) hoepelden op
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) ophoepele(dat ik) ophoepelde
(dat jij) ophoepele(dat jij) ophoepelde
(dat hij) ophoepele(dat hij) ophoepelde
(dat wij) ophoepelen(dat wij) ophoepelden
(dat jullie) ophoepelen(dat jullie) ophoepelden
(dat gij) ophoepelet(dat gij) ophoepeldet
(dat zij) ophoepelen(dat zij) ophoepelden
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
hoepel ophoepelt op
Participios
Participio presenteParticipio pasado
ophoepelend, ophoepelende(zijn) ophoepelen

Traducciones

afrikáansvertrek
albanés
alemánfortgehen; weggehen; heimgehen; verscheiden; sich entfernen
danésafgå; afrejse; go ud; rejse bort
españolausentarse; irse
esperantoforiri
feroésfara avstað
francéspartir; s’en aller; filer
frisón de Saterlandouraisje; wächgunge
frisón occidentalfuortgean; ôfsette; ôfstekke
gaélico escocésfàg; falbh; imich
inglésabsent oneself from; absent oneself; depart; go away; leave
islandésfara
italianoandarsene; partire
latínabaetere; abire; abitere; abscedere
malayoberangkat
noruegodra bort
papiamentosali
polacousunąć
portuguésafastar‐se; ausentar‐se; partir; retirar‐se
rumanopleca; se îndepărta
rusoуехать
suecoge sig iväg
tailandésออก; ละ
turcobırakmak