Información sobre la palabra ontspruiten (neerlandés → Esperanto: deveni)

Sinónimos: afstammen, het gevolg zijn van, voortkomen, stammen

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ɔntˈsprœʏ̯tə(n)/
Separaciónont·sprui·ten

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) ontspruit(ik) ontsproot
(jij) ontspruit(jij) ontsproot
(hij) ontspruit(hij) ontsproot
(wij) ontspruiten(wij) ontsproten
(jullie) ontspruiten(jullie) ontsproten
(gij) ontspruit(gij) ontsproot
(zij) ontspruiten(zij) ontsproten
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) ontspruite(dat ik) ontspruitte
(dat jij) ontspruite(dat jij) ontspruitte
(dat hij) ontspruite(dat hij) ontspruitte
(dat wij) ontspruiten(dat wij) ontspruitten
(dat jullie) ontspruiten(dat jullie) ontspruitten
(dat gij) ontspruitet(dat gij) ontspruittet
(dat zij) ontspruiten(dat zij) ontspruitten
Participios
Participio presenteParticipio pasado
ontspruitend, ontspruitende(zijn) ontsproten

Traducciones

alemánentspringen; entstehen; herkommen; stammen; abstammen
bajo sajónstammen
catalánoriginar‐se; procedir; se originari; venir de
danésafstamme
españoloriginarse; proceder
esperantodeveni; origini
feroéskoma av; vera ættaður frá
francésprovenir
frisón de Saterlandäntspringe; äntstounde; häärkuume; oustamme; stamme
frisón occidentalôfskaaie; ôfstamje
inglésspring
italianodiscendere
portuguésderivar; provir; vir de
suecohärstamma